Copyright © Getuigenissen. 2019  -  Meer informatie: getuigenissen@vub.be

Privacyverklaring (laatste update 16/7/19)

  • Facebook - White Circle
  • Twitter - White Circle
  • Facebook - White Circle
  • Twitter - White Circle

Ongewenst zwanger in de 19de eeuw

Marie verbergt haar zwangerschap en het dode kind. Bij toeval komt haar geheim toch uit.


Bij het transcriberen van de verhoren van getuigen en verdachten voor het project Getuigenissen komen we vaak markante verhalen tegen. Deze verhalen vallen op omdat ze een uitzonderlijke situatie beschrijven, maar anderen tonen juist de alledaagse realiteit in het Brugse 18de en 19de-eeuwse leven. Het volgende dossier combineert beide. Het gaat over zwangerschapsontkenning en kindermoord in het jaar 1872. De situatie is als volgt:


In april 1872 deed François Baers, een Brugse loodgieter, een onaangename ontdekking bij het plaatsen van een nieuwe wc-pot in de herberg ‘de Koning van Spangne’. Samen met het ‘secreet’ vond hij een pasgeboren, dood kind. Het bleek het kind van de dienstmeid, Marie Caroline Musschoot, te zijn. Ze vroeg twee dagen eerder of ze even mocht liggen omdat ze moe was. Ze kreeg die toestemming, ging liggen en beviel uit het niets van een kind. Ze wist niet dat ze zwanger was. Ze had geen buikje, misselijkheid of weeën en haar maandstonden waren niet onderbroken. Het zou een verhaal kunnen zijn voor sensationele kranten of het reality-programma ‘I didn’t know I was pregnant’. Maar zwangerschapsontkenning is een medisch erkend probleem. Ook tegenwoordig bevallen één op ongeveer 2500 Europese moeders zonder dat de ze zich bewust waren van de zwangerschap. Het is een fenomeen dat zeer moeilijk te verklaren is en tot voor kort niet geloofd werd. (Van Waeyenberg, 2012) In deze getuigenissen zien we hoe men in de 19de eeuw omging met kwetsbare moeders, maar de kans is klein dat men haar verhaal over zwangerschapsontkenning geloofde.





De uitbaters van 'de Koning van Spangne' hadden niets gemerkt van de zwangerschap. Marie Caroline werkte zoals gewoonlijk hard en in stilte. De dagen voor en na de bevalling was dat niet anders, ze zag hoogstens wat bleek. Een opmerking maakte haar verdacht: ze droeg geen korset die winter. Bovendien klopte haar verhaal niet met de autopsie van het kind door de dokter. Marie beweerde dat er geen navelstreng was, de dokter zag daarentegen dat deze was doorgesneden. Het verschil tussen haar eerste en haar tweede verhoor gaf aan hoe verward ze was. Ze zei de ene keer dat ze de pijn van het baren voelde aankomen en doeken had klaargelegd. Een andere keer beweerde ze dat niet wist wat er zou komen. Tegen de lokale politie vertelde Marie Caroline dat het kind doodgeboren was en dat ze het daarom had in het toilet geworpen. Maar toen de dokter zei dat het kind geleefd had, veranderde ze haar verhaal. Ze was niet bij bewustzijn en kon zich niets herinneren van de momenten na de bevalling, het snijden van de navelstreng of het inwikkelen van het kind in doeken.


Deze twee versies van het verhaal kwamen overheen met de manieren om vrijgesproken te worden van neonaticide (het vermoorden van een kind binnen de 24 uur na de geboorte). De eerste was het beweren dat het kind doodgeboren was. Dokters controleerden dit door de longen in water te leggen. Indien de longen dreven, was er zuurstof in de longen aanwezig en had het kind dus geleefd. (Ruberg, Dijkstra 2016) Het tweede was ‘kraamgekte’: een vrouw die na de bevalling aan tijdelijke zinneloosheid leed en niet verantwoordelijk was voor haar daden. (Marland, 2002) Hoewel deze specifieke vorm van ontoerekeningsvatbaar weinig voorkwam in de forensische wetenschap van 19de-eeuws België, was krankzinnigheid een veelvoorkomende manier om vrouwen vrij te spreken van daden met immoreel hoge straffen. Het doden van een ongewenst kind door de moeder was een moreel probleem in de 19de eeuw. Enerzijds was een kinderleven veel waard en werd het beschouwd als moord. Anderzijds werden de ‘meisje-moeders’ met veel medelijden benaderd. Want het waren zij die gestraft werden voor haar eerbaarheid en niet de vader, die evenveel schuld droeg. Men was zich bewust van de kwetsbare positie van alleenstaande moeders. Dat is te zien in de wetgeving rond kindermoord in België die slechts in 1984 werd afgeschaft. Deze wet zei dat kindermoord beschouwd moest worden als moord of doodslag, maar dat indien het de moeder was die de pasgeborene had gedood en indien dit een ‘onwettelijk’ kind was, ze een mindere straf kreeg. (Beck, 1959) Uit de verhoren blijkt dat ook haar bazin begrip had voor de situatie van haar dienstmeid. Na confrontatie met de dienstmeid zei ze dat ze ‘gepakt was’ door de situatie en stopte met vragen stellen. Haar baas gaf haar het advies om te bekennen, zodat de politie medelijden met haar zou krijgen.


Er was ook nog een derde manier om niet veroordeeld te worden voor neonaticide, namelijk het verbergen van de zwangerschap en het kind. Marie Caroline had dit ook geprobeerd door het lijkje achter te laten in het ‘secreet’. Als het lijkje niet ontdekt was geweest, had waarschijnlijk niemand geweten dat ze een kind had gekregen. De kans dat de dag nadien een loodgieter langskwam was immers klein. Er wordt gespeculeerd dat negen op tien kindermoorden in de 19de eeuw onopgemerkt bleven. (Heirman, 2000) 19de-eeuwse juristen waren dan ook ongerust over het grote aantal kindermoorden dat niet ontdekt werd. (Marland, 2002) Vooral onwettige kinderen van jonge dienstmeiden vormden een risicogroep. (Ruber, Dijkstra, 2016) Marie beantwoordde grotendeels aan dit profiel als ongetrouwde dienstmeid. Ze was 29 jaar oud. De gemiddelde leeftijd van moeders, verdacht van kindermoord in Oost-Vlaanderen was 27,5 jaar. (Heirman, 2000) Maar ze had al een kind, van drie jaar, dat bij haar zus woonde, omdat ook dat kind geen vader had.


We zullen niet weten of Marie tot het einde niets afwist van haar zwangerschap. We zullen ook niet weten of het kind werd vermoord op een bewuste manier, in een psychose of per ongeluk, bijvoorbeeld door op het kind te liggen. Uit de verhoren kunnen we niet afleiden of ze al dan niet schuldig werd bevonden. Volgens de Napoleontische wet kreeg ze de doodstraf. In 1867 veranderde de wet en was de hoogst mogelijke straf voor kindermoord 20 jaar dwangarbeid. Ook deze straf zal ze waarschijnlijk niet gekregen hebben vanwege de uitzonderlijke situatie van een moeder die haar eigen kind doodde. (Heirman, 2000) De morele grijze zones zorgden dat kindermoord toch niet altijd als moord beschouwd werd. Ook nu nog is neonaticide een gevoelig thema en krijgen moeders die de misdaad plegen een zachtere straf dan in de meeste moordzaken. Het medelijden met de moeders is echter afgenomen door de intrede van betrouwbare anticonceptie, legale abortus en de acceptatie van buitenechtelijke kinderen. Zwangerschapsontkenning is wel nog steeds een verlichtende omstandigheid. (Vellut, Cook, Tursz, 2012) Dit is onder meer te zien in de rechtszaak in 2014 waar de moeder vrijgesproken werd als gevolg van zwangerschapsontkenning.


Als je ook markante verhalen uit het leven in het 18de en 19de-eeuwse Brugge wilt ontdekken, help ons dan met het uitschrijven van de getuigenissen. Je bent als vrijwilliger de eerste die de getuigenis leest. Er zitten, opmerkelijke, grappige en tragische levensverhalen bij, die wachten om ontsloten te worden.




Esther Roex, masterstudente Geschiedenis




Archiefreferentie: RABrugge_EAC_1507_305.

Afbeelding: Dienstmeid met een emmer, Pieter van Loon, 1811–1873. Bron: Collectie Rijksmuseum Amsterdam.


Literatuurtips:

- Beck, W., ‘Juridisch aspect van de kindermoord’, in: Rechtskundig weekblad, 22 (1959), pp. 2089-2098.

- Forbes, T. F., ‘Deadly Parents: Child Homicide in Eighteenth- and Nineteenth-Century England’, in: Journal of the History of Medicine and Allied Sciences, 1 (1986), pp. 175-199.

- Heirman, M., Onzichtbare slachtoffers een micro-onderzoek naar kindermoord in de negentiende eeuw in Oost-Vlaanderen op basis van assisendossiers, Gent, 2000 (master thesis).

- Hoekstra, M. Krankzinnige misdaden, krankzinnige vrouwen? Een onderzoek naar het bestaan van theorieën over kraambedpsychosen en het gebruik ervan bij kindermoordzaken van 1886 tot 1920, Utrecht, 2012 (onuitgegeven master thesis).

- Marland, H., ‘Getting away with murder? Puerperal insanity, infanticide and the defence plea’, in: M. Jackson (ed.), Infanticide. Historical perspectives on child murder and concealment, 1550-2000, Ashgate, Aldershot, 2002, pp. 168-192.

- Het Laatste Nieuws, Baby dood gevonden in toilet: vrouw krijgt vrijspraak voor kinderdoding als gevolg van zwangerschapsontkenning, 2018/11/29, online raadpleegbaar op: www.hln.be.

- Ruberg, W. en Dijkstra, N., ‘De forensische wetenschap in Nederland (1800–1930): een terreinverkenning’ in: Tijdschrift voor Wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis, 9 (2016), pp. 121-143.

- Swartz, L. L. en Isser, N. K., Child homicide. Parents who kill, Boca Raton, CRC Press, 2007.

- Vellut, N, Cook, J. N. en Tursz, A., ‘Analysis of the relationship between neonaticide and denial of pregnancy using data from judicial files’, in: Child Abuse & Neglect, 36 (2012), pp. 553– 563.

- Van Waeyenberg, P., Aanpak en begeleiding van zwangerschap, partus en postpartum van vrouwen die hun zwangerschap ontkennen, Brussel, 2012 (bachelor scriptie).