(On)geletterdheid in negentiende-eeuwse Brugse getuigenverklaringen en verhoren

In onze twee vorige blogposts kon je wat meer lezen over het onderzoek dat Wouter Ryckbosch en Magda Serwadczak respectievelijk voer(d)en naar het gebruik van de stedelijke ruimte in achttiende-eeuws Brugge en gesproken taal in het verleden. Het getranscribeerde materiaal van Getuigenissen Brugge biedt echter nog tal van andere mogelijkheden voor wetenschappelijk onderzoek. Doorgaans werden getuigenverklaringen en verhoren afgesloten met de handtekening van de getuige in kwestie, nadat die zijn of haar verklaring had nagelezen. Vandaag de dag is de overgrote meerderheid van de bevolking geletterd, maar in de achttiende en negentiende eeuw was dat veel minder het geval. Wanneer de getuige of verdachte ongeletterd was, werd de opgetekende verklaring voorgelezen en met een kruisje ondertekend. Op die manier vormen de vele verklaringen en verhoren, die we met ons project verzamelen, een razend interessante bron om (on)geletterdheid in het verleden te bestuderen. Ongeletterden hebben immers door de band genomen veel minder bronnen nagelaten dan geletterde mensen, die brieven schreven, dagboeken bijhielden, reisverslagen neerpenden,…

Kunnen we met behulp van ons burgerwetenschapsproject doordringen tot de alledaagse leefwereld van deze mensen? Kunnen we, via een omweg langs de rechtbank, toch bepaalde inzichten verkrijgen in hun dagelijkse leven? Deze vragen stonden centraal in het onderzoek dat we recent voerden voor het gerechtelijk arrondissement Brugge, dat naast de stad Brugge ook gemeenten zoals Knokke, Damme, Torhout, Gistel,… omvat.. Vertrekpunt vormden de meer dan 2000 uitgeschreven verhoren en verklaringen van de correctionele rechtbank uit Getuigenissen Brugge. De achttiende-eeuwse teksten van de schepenbank kwamen niet in aanmerking, omdat deze geen indicatie van (on)geletterdheid gaven. Dat valt wellicht te verklaren omdat we niet over de oorspronkelijke verklaringen beschikken, maar slechts over afschriften die werden overgeschreven in registers. Lange tijd maakten historici vooral gebruik van huwelijks- en geboorteakten om de alfabetiseringsgraad in het verleden te bepalen, omdat deze bronnen een groot deel van de bevolking dekten. Juridisch bronnenmateriaal daarentegen beschouwde men dan net weer als onvoldoende representatief, omdat de lagere sociale klassen van de bevolking hierin oververtegenwoordigd zouden zijn. Recent onderzoek heeft echter net aangetoond dat brede lagen van de bevolking in deze bronnen opduiken en ze als dusdanig wel toelaten om bepaalde maatschappelijke evoluties in beeld te brengen. In totaal telde ons onderzoekscorpus 1984 unieke getuigenverklaringen en verhoren van verdachten.


Geletterdheid in de negentiende eeuw


Algemeen gesproken wordt de negentiende eeuw beschouwd als een scharniermoment voor West-Europa wat alfabetisering betreft. Het was voornamelijk in protestantse landen zoals Duitsland, Nederland, Zweden, Denemarken,… dat de geletterdheid bij de bevolking toenam. België bevond zich op dat vlak in de middenmoot. Achter de alfabetiseringsgraad van ons land gingen echter grote regionale verschillen schuil. Zo ging Vlaanderen tegen de heersende trend in en nam de ongeletterdheid er net toe in de eerste helft van de negentiende eeuw. Een mogelijke verklaring hiervoor was het feit dat de leerplicht voor kinderen tussen zes en twaalf jaar in ons land pas aan de vooravond van de eerste Wereldoorlog werd ingevoerd. Onderzoek naar (on)geletterdheid in het graafschap Vlaanderen – waar Brugge deel van uitmaakte – toonde aan dat op het einde van de achttiende eeuw de helft van de mannelijke en een derde van de vrouwelijke populatie kon schrijven. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de graad van geletterdheid in een reeks kleine en middelgrote steden op het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw.

Tabel 1: graad van geletterdheid in Belgische steden (%)


Voor deze bijdrage zijn uiteraard de Brugse cijfers interessant. Deze kunnen worden aangevuld met de resultaten van het onderzoek van Ingrid Cottens over alfabetisering in de provincie West-Vlaanderen in de periode 1780– 1870. Zij toonde aan het arrondissement Brugge – met inbegrip van onder meer Blankenberge, Damme, Knokke en Torhout – tot de slechtste regio’s behoorde wanneer het op geletterdheid aankwam. Zo bleek rond 1870 slechts 46% van de mannen en 42% van de vrouwen er geletterd.


We stelden vast dat er zich in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw een daling in ongeletterdheid aftekende, maar dat er tegelijkertijd grote verschillen bleven bestaan in alfabetiseringsgraad. Verdachten waren in de meerderheid van de gevallen ongeletterd (56%), terwijl getuigen veel vaker geletterd waren (32% ongeletterd). Dit grote verschil valt te verklaren door de andere sociale achtergrond van verdachten in criminele processen, die vaker tot lagere sociale klassen behoorden. Rechtbanken gingen wellicht op zoek naar getuigen die ze als betrouwbaar bestempelden, waarbij ze vaak ook geschoolde specialisten zoals artsen inschakelden om vanuit hun expertise te getuigen. Ook het type misdrijf dat aanleiding had gegeven tot de rechtszaak oefende een invloed uit op de geletterdheid van zij die verhoord werden. De meeste verschillen waren klein. In moordzaken werden vaker geletterden dan dan ongeletterden verhoord, terwijl het bij diefstal of brandstichting precies omgekeerd was. Veel meer uitgesproken waren de verschillen in bijzondere types misdrijven: bedelarij en verbaal geweld. Het hoeft wellicht weinig uitleg dat bedelarij een misdrijf was dat zich expliciet richtte tegen de lagere sociale groepen, en dat onder hen de alfabetiseringsgraad veel lager lag. Omgekeerd zien we dat verbaal geweldn zoals beledigingen, defamatie en eerroof, misdrijven waren, waarbij vooral hogere sociale groepen betrokken waren en waarbij de alfabetiseringsgraad ook aanzienlijker lag.


Niet alleen verdachten maar ook vrouwen hadden meer kans om hun ongeletterdheid te verklaren aan het eind van een getuigenverhoor. Meer dan de helft van de vrouwen bleek niet te kunnen schrijven (58%) tegenover een minderheid (37%) van de mannen. Dit komt overeen met gendergerelateerde verschillen in scholing en geletterdheid die ook in andere studies over de negentiende eeuw naar voor kwamen. Andere aspecten bleken dan weer van minder tel: of de zaak zich in de Brugse binnenstad of op het omliggende platteland afspeelde, en of iemand geboren was in Brugge of niet, speelde geen rol. Wel doorslaggevend was het beroep: niet alleen omdat beroepen vaak specifieke vereisten stelden ten aanzien van geletterdheid, maar ook omdat het vaak graadmeters waren van sociale positie. Het hoeft niet te verwonderen dat handelaars, maar ook winkeliers en winkeliersters, zelden ongeletterd waren, terwijl anderzijds werkmannen, werksters en kantwerksters in de meeste gevallen niet konden schrijven.


De voorgaande analyses tonen aan dat het bronmateriaal dat gedigitaliseerd werd door het Getuigenissenproject een vrij brede doorsnede van de bevolking aan het woord laat komen. Het algemene niveau van geletterdheid, de evolutie doorheen de tijd, de genderverschillen, en de beroepsspecifieke verschillen in het corpus van getuigenverklaringen reflecteren bredere ongelijkheden in alfabetisering doorheen de negentiende-eeuwse samenleving. In dat opzicht hoeven de getuigenverklaringen niet onder te doen voor bijvoorbeeld huwelijksakten als bron voor de studie van geletterdheid in het verleden.


Getuigenverklaringen als inkijk in orale cultuur


Getuigenverklaringen bevatten natuurlijk veel meer informatie dan enkel een handtekening en summiere aanduidingen over beroep, leeftijd en geslacht. De verklaringen beschrijven niet alleen de omstandigheden rond een misdrijf dat onderzocht werd, maar bevatten ook een hele hoop randinformatie: het tijdstip waarop de gebeurtenissen plaatsvonden, waar de getuige zich toen bevond, en wat hij of zij aan het doen was. Of ook het gezelschap waarin iemand verkeerde, en zelfs flarden van conversaties met anderen duiken in de getuigenverklaringen op. Het zijn kleine stukken informatie die betekenisvol worden wanneer we er grote hoeveelheden van kunnen verzamelen, en die bijzonder waardevol zijn wanneer ze inzicht bieden in de leefwereld van zij die in andere bronnen nauwelijks aan het woord komen. Nu we weten dat ook ongeletterden goed vertegenwoordigd waren in de getuigenverklaringen, rest nog de vraag of deze ook voor hen een betrouwbare inkijk geven in hun ervaringen en leefwereld.


Had de geletterdheid of ongeletterdheid van de getuige een invloed op de inhoud van de getuigenverklaringen zelf? Werden minder geschoolde en ongeletterde getuigen of verdachten meer gestuurd in hun verklaringen? Wanneer we naar enkele kenmerken van de teksten zelf kijken, dan springen geen grote verschillen in het oog. Kleine verschillen zijn er wel. De tekstlengte van de verklaringen waren bij ongeletterden vaker van ‘gemiddelde’ omvang: tussen de 350 en 500 woorden. Zowel korte als lange verklaringen waren zeldzamer dan bij getuigen die geletterd waren. Werden zulke verklaringen sterker gestuurd door wie de verklaring afnam, zodat sneller geconformeerd werd aan een vaste structuur? Het is een hypothese die door meer detailonderzoek zou moeten onderzocht worden. Een eerst indicatie die voorzichtig in dezelfde richting wijst, is het vaker voorkomen van ontkennende frasen in de getuigenverklaringen van ongeletterden. Het gaat dan vaak over formuleringen zoals: “zonder dat ik weet” of “ik weet niet wat” of “weet niet wie.” Dat negaties vaker voorkwamen in hun teksten suggereert mogelijk dat hun verklaringen vaker gestuurd werden door vragen – ook al werden die vragen in de uiteindelijke verklaring niet mee opgenomen. Indien deze interpretatie klopt, dan betekent dit dat we voorzichtig moeten zijn bij het gebruiken van getuigenverklaringen als rechtstreekse neerslag van de woorden en gedachten van ongeletterden.


Niettemin bieden de verklaringen ook onmiskenbare troeven. Heel wat teksten, en bij uitstek deze van mensen die het schrijven niet machtig waren, bevatten bijvoorbeeld passages van directe rede. Het gaat om citaten van henzelf of anderen uit conversaties – of in heel wat gevallen eerder scheldpartijen en uitroepen - die letterlijk aangehaald werden om de betrouwbaarheid van wat beschreven werd zo goed mogelijk kracht bij te zetten. Bij getuigenverklaringen van ongeletterden kwamen dergelijke passages van directe rede vaker voor dan bij geletterden, wat het gevolg zou kunnen zijn van een poging van de klerken om deze relevante passages zo nauwkeurig mogelijk te reproduceren.

Het bevatte bijvoorbeeld uitspraken die de kwade intenties van andere betrokkenen moesten bewijzen (“dien duijvel moet dood”), of uitspraken die op beledigingen of kwaadheid moesten wijzen (“gij oude tooverheks deugeniete”). Zo nu en dan werd door de klerken ingegrepen om een passage te filteren, zoals “Wel neen! Ik vaag er mijne kl… aan” of “Ik vaege dezen major ook aen myne klo… Dien deugniet dien Hollander land verraeder dat zy ny komen ik breke hun de nek.”.


Dankzij dergelijke passages komen we dichter dan de meeste andere bronnen op de huid te zitten van zij die niet in staat waren om zelf hun woorden aan het papier – en onze archieven – toe te vertrouwen. Dergelijke kleine fragmenten bieden weinig inzicht in brede maatschappelijke transformaties die alle sociale groepen in de samenleving ondergingen, maar wanneer we ze op grotere schaal bekijken, kunnen we patronen opsporen en onderzoeken.

***

De eerste resultaten van dit onderzoek werden vorig jaar door Wouter Ryckbosch en Tom Bervoets gepresenteerd op de 17de International Pragmatics Conference in Winterthur (Zwitserland) onder de titel ‘Lost voices? (Il)literacy in witness depositions and suspect interrogations (Bruges, 1700-1900)’. Een uitgebreide versie van deze blogpost verscheen onlangs in Tijd-Schrift. Erfgoedpraktijk in Vlaanderen, 2022, p. 40-57. Meer info over dit tijdschrift kan je hier vinden.


Dit onderzoek werd mogelijk gemaakt door de bijdragen van vele tientallen anonieme burgerwetenschappers, die we nogmaals hartelijk willen bedanken voor hun harde werk! Momenteel lopen er op ons platform twee nieuwe deelprojecten, die zich concentreren op de criminele verhoren van het Brugse Vrije en de getuigenverklaringen van de Antwerpse vierschaar. Help ons mee om bijkomend materiaal te verzamelen en zo meer te weten te komen over het alledaagse leven in de achttiende en negentiende eeuw. Binnenkort komt er met het Hof van Assisen Antwerpen ook een grote verzameling negentiende-eeuws materiaal online. Help jij ons mee onze databank met teksten verder aan te vullen?


Tabel 1: Joseph Ruwet en Yves Wellemans, L’analphabétisme en Belgique (XVIIIème – XIXème siècles), Leuven, 1978, p. 29


Afbeelding 1: Tijd-schrift, nummer 2 (2022), themanummer 'Participatie'


Afbeelding 2: Rijksarchief Brugge, EAC, nr. 295