Getuigenissen als schatkamer van kennis over (gesproken?) taalgebruik van weleer

Wat vertellen getuigenverklaringen en verdachtenverhoren uit de achttiende en negentiende eeuw ons over het gesproken taalgebruik in het verleden. Magda Serwadczak, die momenteel een doctoraat voorbereidt aan de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen op basis van de transcripties uit Getuigenissen Brugge, vertelt er meer over in onderstaande blogpost.

***

Niet enkel voor historici is het bronnenmateriaal van het Getuigenissenproject bijzonder interessant. Ook taalkundigen zien de mogelijkheden die getuigenverhoren bieden en hopen dat ze ons inkijk zullen geven in het (gesproken) taalgebruik uit het verleden. Maar hoe accuraat zijn deze bronnen eigenlijk? Geven de geschriften waarheidsgetrouw weer wat er tijdens een verhoor daadwerkelijk werd gezegd?


Hoewel getuigenverhoren en ondervragingen van verdachten in de eerste plaats mondeling worden afgenomen, worden ze door professionele schrijvers ook steeds aan het papier toevertrouwd. Deze opgemaakte dossiers worden dan aan de rechter voorgelegd en spelen vaak een belangrijke rol in het besluitvormingsproces. Daarom is het cruciaal dat een verhoor zo accuraat mogelijk op papier wordt geregistreerd. Vanuit een taalkundig perspectief is het omzetten van gesproken tekst in het geschreven woord echter geen eenvoudige opgave. Er moet rekening worden gehouden met duidelijke verschillen tussen deze twee soorten communicatie. Voorgaand onderzoek toonde reeds aan dat gesproken taal o.a. meer interactief, spontaan en context-gebonden is dan schrift. Deze algemene verschillen kunnen in concrete linguïstische kenmerken worden vertaald. Zo weten we bijvoorbeeld dat men in gesproken taal meer persoonlijke voornaamwoorden (zoals 'jij', 'ik' of 'hij') gebruikt dan in een geschreven tekst, maar minder zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke voornaamwoorden. Spraak wordt ook gekarakteriseerd door een minder gevarieerde woordenschat en kortere woorden. Waar in geschreven tekst gebruik wordt gemaakt van interpunctie, worden in spreektaal vaak pauzes of voegwoorden (zoals 'en', 'dus en 'maar') gebruikt.


In de ogen van vele linguïsten blijkt schrift maar in beperkte mate succesvol in het vereeuwigen van gesproken interactie. Bestaande literatuur over entekstualisering (het proces waarbij gesproken communicatie uit de oorspronkelijke context wordt weggetrokken en in schrift wordt omgezet) toont dat het proces niet enkel de perceptie van het gesprokene omvat, maar ook de interpretatie van wat er gezegd wordt en de beslissing hoe de boodschap gerepresenteerd zal worden in de geschreven vorm. De linguïstische keuzes kunnen beïnvloed worden door persoonlijke opvattingen, waarden en voorkeuren van diegene die de getuigenis op papier vastlegt. Er moet ook rekening worden gehouden met misverstanden, fouten en simplificaties. Dit leidt tot de vraag: kunnen we getuigenverhoren als letterlijke weergave van gesproken woord beschouwen? En is het de individuele spreektaal van elke getuige die in de documenten naar voren komt, of een individuele schrijfstijl van elke scribent?


Dit (en meer) hoop ik in mijn doctoraatsonderzoek naar entekstualisering en standaardisatie van historische getuigenverhoren vast te stellen. Door in de getuigenverklaringen op zoek te gaan naar concrete linguïstische kenmerken die geassocieerd worden met gesproken en geschreven taal, ga ik na in welke mate deze bronnen het oorspronkelijke verhoor weergeven. In andere woorden: hoe meer spreektalige elementen een verhoor bevat, hoe meer kans dat we met een authentiek taalgebruik van de getuige te maken hebben. Aangezien het materiaal van het Getuigenissenproject getranscribeerd en gedigitaliseerd is, kan er naast traditionele methodes ook programmeersoftware gebruikt worden om elementen van spreektaal op te sporen. Op die manier berekent men bijvoorbeeld gemiddelde woordlengtes in alle documenten en kijkt men naar de verhouding tussen nieuwe woorden en herhalingen. Uiteraard kan niet alles automatisch worden opgespoord, daarom zoom ik ook steeds meer in op verhalen van individuele sprekers. Gezien hun complexiteit wordt het gebruik van interpunctie en voegwoorden ook handmatig onderzocht.


Deze getuigenis van Virginie Vincent, een vijftienjarig slachtoffer van aanranding, bevat heel wat spreektalige elementen (o.a. kortere woorden, minder gevarieerde woordenschat en een frequent gebruik van voegwoorden in plaats van leestekens):


Den Vendredi <16 Maerte> laetst, 'snamiddags omtrent 4 ure, ben ik te Knocke naer zee gegaen om, op strand, hout te rapen. Toen ik er wat bÿeenverzamelde en bezig was in een hoop te binden, zyn myne Kozÿns de twee betigte Philippus en Andréas van Landschoot op het onverwagts al agter bÿ mÿ gekomen Philippus is op mÿne rug gesprongen heeft, mÿ agterwaerts over getrokken, myne rokken opgeheft zoodanig dat ik met den buik bloot lag, heeft zyne broek geopend, zyne mannelykheid uitgehaeld en zich op mÿ gelegd en ze tegen mÿne teeldeelen gesteken, zonder dat ik nogtans kan verzekeren of hÿ, ja dan neen, er in geweest heeft. (...)


In deze getuigenis van Francis Sanders, een 44-jarige getuige in een andere aanrandingszaak, vindt men minder sporen van spreektaal:


Plovie is by my werkzaam geweest van 1873 tot 1877. Ik heb van hem geene oneerlyke manieren bemerkt alhoewel ik dikwyls 's noens by hem heb geslapen. Ook ben ik dikwyls met hem naar de herberg gegaan en samen met hem naar huis gekomen in de vermelde jaren. Heden heb ik geene betrekkingen meer met hem. Ik weet van dien mensch niets te zeggen dat tegen de eerbaarheid zou zyn. Meer inlichtingen kan ik niet geven.


Zelfs voor een ongetraind oog is het meteen duidelijk dat deze twee getuigenissen heel anders lezen. De tweede tekst lijkt iets droger en formeler dan de eerste waardoor het niet duidelijk is of we met een authentiek taalgebruik van de getuige te maken hebben of met een reconstructie daarvan door de scribent. In deze context lijkt de eerste getuigenis iets betrouwbaarder te zijn.


De belangrijkste bevinding van het onderzoek is dat er duidelijke patronen zijn in het taalgebruik van individuele sprekers en groepen sprekers. Dat betekent dat de geschreven getuigenissen in zekere mate de afzonderlijke spreekstijl van de getuigen weergeven. We vinden dus minder sporen van schrijver-afhankelijke variatie (waarbij de stijl van de tekst verandert afhankelijk van wie aan het schrijven is), maar wel van spreker-afhankelijke variatie. Daarom kunnen we veronderstellen dat het materiaal uit het Getuigenissenproject wel wat inzicht geeft in het (gesproken) taalgebruik uit de achttiende en negentiende eeuw.


Daarnaast bleek ook uit de eerste casestudies die uitgevoerd werden op het materiaal van het Getuigenissencorpus dat niet alle verhoren evenveel spreektalige elementen bevatten. De analyses tonen aan dat er duidelijke verschillen zijn tussen mannen en vrouwen, jonge sprekers en volwassenen en tussen slachtoffers en verdachten. Getuigenissen waarin vrouwelijke sprekers aan het woord komen lijken iets meer spreektalig te zijn dan die waarin mannen hun verhalen vertellen. Een hogere mate van spreektaligheid geldt ook voor de jongste sprekers. Waar ligt dat aan? Sommige kenmerken van schrijftaal (zoals een rijke woordenschat) worden gelinkt aan het taalgebruik van de hoogopgeleiden. Ook vandaag de dag behelpen we ons daarmee als we in formele context terechtkomen, bijvoorbeeld op de werkvloer of in de rechtbank. Gezien het relatief lage opleidingsniveau van vrouwen en minderjarigen in de achttiende en negentiende eeuw kunnen we dus speculeren dat ze minder affiniteit hadden met normen en conventies van formeel taalgebruik.


Uiteraard dient deze kwestie nog verder onderzocht te worden om definitieve conclusies te kunnen trekken. Zoals het vaak in een historische context is, hebben we niet alle feiten om met zekerheid te bepalen welke linguïstische keuzes door de spreker of door de scribent zijn gemaakt. Toch zijn deze voorlopige resultaten reeds zeer waardevol voor historisch sociolinguïstisch onderzoek naar de dynamiek tussen gesproken en geschreven taal in een institutionele context.


Afbeelding: Rijksarchief Brugge, EAC, nr. 1226