Een vreemde herbergruzie in de Lange Nieuwstraat

Sinds eind maart staan de teksten van de achttiende-eeuwse Antwerpse Vierschaar op ons transcriptieplatform. Ruim 65 % van de beelden werd ondertussen getranscribeerd en in juli controleerde aspirant-historicus Brecht Liefsoens een eerste lading teksten. Daarbij stootte hij op de curieuze casus van Daniel Salomon, een Amsterdamse jood die in 1730 in Antwerpen verwikkeld geraakte in een opmerkelijke herbergruzie, waarover hij meer vertelt in onderstaande blogpost.

***

Antwerpen staat vandaag gekend om haar bloeiende joodse gemeenschap. Hoewel die groep chassidische joden een relatief recent fenomeen vormt, vinden we al vanaf de middeleeuwen tekenen van joodse gemeenschappen in de Lage Landen. Tijdens de zeventiende eeuw leefden ze in verdrukking in de streng-katholieke Zuidelijke Nederlanden, maar vanaf de achttiende eeuw groeiden zeer voorzichtig, en met wisselend succes, enkele tolerantie-initiatieven. Die precaire situatie maakt dat er weinig informatie beschikbaar is over het joodse leven in die tijd. Rechtszaken als die over een zekere Daniel Salomon, een Amsterdammer 'van de Duydtsche Joodsche religie', en de bijhorende getuigenissen bieden ons dan ook als het ware een klein spiekgaatje op de opvattingen over en de situatie van joden in achttiende-eeuws Antwerpen.


Op 23 februari 1730 brak er een ruzie uit in het Keysershof, een herberg in de Lange Nieuwstraat in Antwerpen. Dat was op zich niet zo uitzonderlijk; herbergen in de zeventiende en achttiende eeuw stonden gekend als oorden waar de gemoederen, onder invloed van drank en spel, vaak hoog konden oplopen. In dit geval ging het om een conflict tussen Salomon en de herbergier en zijn vrouw.

De ruzie begon, zo stelde het echtpaar later voor de schepenen van de Antwerpse Vierschaar, omdat Daniel ’s nachts verschillende keren hun dienstmeid had lastiggevallen. Hij had namelijk tevergeefs getracht de meid te overhalen hem binnen te laten op haar slaapkamer. Toen het herbergierskoppel daarop 's morgens Daniel de levieten had gelezen, was er een intense woordenwisseling gevolgd, waarbij Daniel niet alleen de herberg een hoerenhuis had genoemd, maar ook de waardin had uitgemaakt voor een oneerlijke vrouw. Daarbij had hij haar zelfs verweten ‘een uytgenaede hoir’ te zijn, die hij ‘had willen bekennen buyten de poorte tegen eenen meulen’ en ‘dat sij hiertoe was berijt geweest, maer dat hij het selve niet ende hadde connen doen alsoo sij te leelijck was’! Later diezelfde dag kwam het tot een nieuwe kibbelpartij. Daniel had om een bord voor zijn maaltijd gevraagd – vis 'op de manire van sijne natie' – maar zou ongeduldig de kast hebben opengebroken. Volgens een kameraad van het herbergierskoppel zou Daniel die avond ook nog voor een 'fraey spectaekel' gezorgd hebben, door zich 'op eene onbetaemelijck manier' ontbloot te hebben en bij het vuur te gaan zitten. Bovendien had hij daarenboven allerlei verwijten aan de katholieken gemaakt, 'die hij seyde van honde clooten gemaeckt te sijn […] tot schandael van de omstaenders'.


De volgende ochtend kwam het opnieuw tot een confrontatie omdat Daniel zijn pof had uitgeveegd zonder te betalen. De gemoederen tussen de waardin en Daniel liepen zodanig hoog op, dat de waard vervroegd was moeten terugkeren uit de kerkdienst. Het kwam deze keer tot een echte knokpartij. De herbergier getuigde dat Daniel hem op de grond had gegooid en hem bij zijn das genomen, in een poging hem te vermoorden. De dienstmeid en één van de omstaanders konden hem gelukkig nog net op tijd losmaken. Ook de waardin werd slachtoffer van Daniels woede-uitbarsting. Hij zou haar met haar hoofd tegen de muur gesmeten hebben 'soo [hard] dat sij daervan eenighen tijt verdwemelt is blijven liggen'. Ze moest daarna gaan liggen, omdat '[het voelde alsof] haer heel lichaem gelijck verplet van de slagen [was]'. Sindsdien zou de vrouw naar eigen zeggen niet meer kunnen hebben opstaan uit haar bed. Uiteindelijk was de herbergier hulp gaan zoeken bij de officiers van de kolveniersgilde, die erin waren geslaagd Daniel te overmeesteren en hem te arresteren.


Maar is het wel zo dat Daniel de grote boeman was? Misschien zijn de feiten zoals beschreven door het herbergierskoppel wel wat overdreven en profiteerden ze van Daniels outsiderstatus? Sommige andere getuigenissen spreken de forse beschuldigingen aan zijn adres immers tegen. Zo stelde een chirurgijn dat hij de waardin de dag na de feiten was gaan bezoeken en haar had aangetroffen zonder kneuzingen of verwondingen. Volgens andere getuigen, die niet bevriend waren met het koppel, was de waardin bijzonder grof geweest tegen Daniel toen die om een bord had gevraagd. Ze had hem dat geweigerd te geven, hem uitgescholden voor een 'schelm ende fiel' en voorgesteld dat hij 'sijn eten in sijne mutse soude scheppen'. Ook het verhaal van Daniel die naakt bij het vuur had gezeten, kon niemand bevestigen. Enkele getuigen beweerden zelfs dat Daniel in het gevecht geen enkele klap aan de herbergier had uitgedeeld, maar ze enkel had moeten incasseren. Bovendien zou een van de getuigen de waardin nog twee pinten hebben zien tappen na Daniels arrestatie en zou het herbergierskoppel daarbij uitgeroepen hebben: 'Vrinden, drinckt maer alwaer het een heel stuck Leuvens [bier]! Den smous [nl. Daniel Salomon] sal men het doen betaelen!'


***

Wil je zelf op ontdekking gaan in het Antwerpen van de achttiende eeuw? Neem dan zeker eens een kijkje op ons transcriptieplatform!


Bron: Felixarchief Antwerpen, Hoge Vierschaar, ondervragingen en getuigenverslagen, nr. V#92


Afbeelding: Frans Greenwood, Gevecht in een herberg, Rijksmuseum Amsterdam


Beknopte literatuurlijst

Ludo Abicht, Geschiedenis van de joden van de Lage Landen. Amsterdam, 2006


Brecht Deseure, '‘Tot maintien van sijne eer’. Herberggevechten in ’s-Hertogenbosch (1650-1800)', Brabants Heem, 60, (2008), 44-53


Pierre-Alain Tallier, Gertjan Desmet en Pascale Falek-Alhadeff, Bronnen voor de geschiedenis van de joden en het jodendom in België. 19de-21ste eeuw, Waterloo, 2017